Een geschiedenis van brood en koffie bij Neeltje

In het begin kauwden de rondtrekkende jagers op de graankorrels die ze op hun weg tegenkwamen. Later werden deze korrels gekneusd met een steen, zodat er een soort pap van kon worden bereid. Dit werd dan gedroogd in de zon of gebakken op stenen uit het vuur.

Egypte wordt meestal aangeduid als de oorsprong van gerezen brood. De eerste broden werden gemaakt door spontane fermentatie (net zoals bij het eerste bier). Het gebruik van starters (gist, zuurdesem, bier) kwam pas later. Tot in de 19e eeuw werd brood gemaakt, gebaseerd op bierresten (waar gist in zat) of op een starter. Een starter maakten mensen zelf door meel met water te mengen en dit enkele dagen te laten staan. Wilde gisten nestelden zich dan in het mengsel, waardoor het begon te rijzen. Deze starters werden goed verzorgd, een goede starter was namelijk van belang voor de smaak van het brood. Met deze manier van brood bakken wordt een deel van de starter of bierrest bij het nieuwe deeg gevoegd, net zoals nu gist gebruikt wordt.

In Nederland bakten de mensen oorspronkelijk hun eigen brood. In de Middeleeuwen kwamen er pas bakkers in de steden en in 1856 is de eerste fabrieksbakkerij in Amsterdam neergezet. Deze Amsterdamse broodfabriek kwam er op initiatief van Samuel Sarphati, een arts, hygiënist en sociaal bewogen persoon in samenwerking met de Vereeniging voor Volksvlijt. Dit kon na de afschaffing van de Wet op het Gemaal, die de komst van grootschalige productie tegenhield. Met het ontstaan van broodfabrieken ging de prijs van brood aanzienlijk omlaag. Nadat ook in andere steden fabrieksbakkerijen waren opgezet at mede hierdoor de Nederlander aan het einde van de 19e eeuw drie maal meer tarwebrood dan in het midden van die eeuw. In 1967werd door het afschaffen van de minimumbroodprijs het ook voor supermarkten economisch interessant om brood te gaan voeren in het assortiment. Doordat meer mensen zich voldoende brood, aardappels, vlees, melk en groente konden permitteren (en door betere hygiëne), nam de gemiddelde levensverwachting van de Nederlander toe van 35 à 40 jaar in 1870 tot bijna 50 jaar in 1900[1].